wat zoek je?

Posts tonen met het label kortverhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kortverhaal. Alle posts tonen

dinsdag 1 oktober 2019

KORT / zwarte gans


Zomer in augustus.

De onderkant van een zwarte gans is behoorlijk indrukwekkend bij valavond. De veren van de vleugels haast doorschijnend door de ondergaande zon, de uiteinden duidelijk afgetekend, veer per veer, pen per pen, bijna uitgerafeld maar net niet. De hals rank en slank uitgestrekt, de rode bek een beetje getild, de poten ingetrokken als bij een Boeing. Maar vooral dat licht. De gans wordt gesolariseerd terwijl ze vliegt, waardoor ze stil blijft hangen daarboven, voor eeuwig en altijd in mijn hersenen geprint.

Ik heb geen idee of ze zwarte gans heet, waarschijnlijk niet want het is geen gans, eerder familie van de fuut maar dan groter, maar dat is allemaal niet zo belangrijk.

Net zomin de drie roofvogels die ik voor het gemak buizerds zal noemen die vanochtend om half 8 elk onverstoorbaar maar immer geconcentreerd op een paal in het veld zaten, terwijl de konijnen zenuwachtig onder en achter hen door wipten, maar wat kan hen dat deren, er zijn er nog miljoenen.
De drie reigers (ja, vanochtend kwam alles in drievoud) die als Romeinse soldaten zij aan zij langzaam naar voren bogen, hun ene poot klaar om de grote stap te zetten, hun bek hard als een botte speer om eender welk dier waarop ze het gemunt hadden onmiddellijk knock-out te slaan.

Daarrond de koeien die naar me keken terwijl ik voorbij fietste, onverstoorbaar kauwend.

Het uithangbord met ‘Theater’ erop in het schijnsel van het vroege ochtendgloren, de verlaten straat, de vrouw in de auto onder de brug met het voorportier open terwijl ze haar sigaret rookte, de nevel die al aan het verdampen was, de insecten, de bakker die net openging maar niet naar vers brood rook, slagerij Ayoub die ik nog geen enkele keer open heb gezien, maar het is dan ook vakantie.

Vandaag begon de dag blij als een verrassingspakketje. De inhoud sloeg wat tegen.

dinsdag 28 augustus 2018

KORT / luzernescheuten

Hoe mijn luzernescheuten half geplastificeerd geraakten …

Ik moest naar Delhaize voor avondeten en nog wat voor de komende dagen.
Dat doe ik bij die op de Plantijn- en Moretuslei. Daar aangekomen zie ik twee agenten een man ondervragen, de walkietalkie in de hand, in het deurgat van de supermarkt, goed zichtbaar voor elke klant die daar binnen- en buitengaat. De man in kwestie speelt daar op gezette tijd viool, een begenadigd muzikant, ik gaf hem vorige week nog wat kleingeld omdat ik hem echt goed vond. De agenten zeggen hem met zijn handen tegen de muur te gaan staan en zijn benen te spreiden, ze checken zijn broekzakken en halen zijn telefoon eruit. Het lijkt wel een spannende crimi, zoveel vertoon, seffes springt Derrick uit een of ander hoekje tevoorschijn. Ik passeer hen en vraag aan de muzikant ‘ça va?’. De man kijkt naar mij en haalt gelaten zijn schouders op.

Een van de agenten draait zich om na mijn vraag en grijpt mijn arm vast.

- Mevrouw, er valt hier niks te zoeken, wandelt u maar gewoon door.
- Meneer, u hoeft mij niet te duwen, laat mijn arm los alstublieft.
- Mevrouw, als u niet doorloopt, dan zullen we u ook moeten meenemen.
- Op basis waarvan gaat u dat dan wel doen misschien?
- Op basis van belemmering.
- Welke belemmering? Ik passeer hier, want ik moet naar binnen en u belemmert de ingang met uw machtsvertoon.
- We kunnen dat moeilijk ergens anders doen en u houdt mij van mijn werk.
- U hoeft zich helemaal niet met mij bezig te houden, dan kiest u zelf. Ik heb niks aan u gevraagd, maar aan die muzikant, die ik ken.

De tweede agent zegt van ‘kom, we zijn hier weg’, waarop de eerste eindelijk mijn arm loslaat. Ze nemen de muzikant tussen zich in en lopen ermee weg naar hun politiewagen.
Ik storm Delhaize binnen waar twee kassiersters verbouwereerd staan te kijken. Ik loop op hen af en vraag luid of het iemand van Delhaize was die de politie heeft gebeld, want als dat het geval is, dan ga ik ergens anders boodschappen doen. De ene kassierster antwoordt ‘geen idee, we zien het net, ik ga de gérant even roepen’.

- Dag mevrouw, wat is er aan de hand?
- Er hebben hier net twee flikken een straatmuzikant gearresteerd en een ervan stond ook een van uw klanten af te dreigen, namelijk ik.
- Ah, gelukkig, die man staat hier altijd.
- Al een geluk dat die man hier altijd staat en streepje muziek maakt, dat ik hier wat beter gezind binnenstap, want boodschappen doen is niet bepaald de activiteit die mijn dag goed maakt. Als u klanten wil die tevreden en goedgemutst hun geld hier komen uitgeven, laat dan die mensen onze dag kleuren. Trouwens, die muzikant komt hier zelf boodschappen doen, dus hem wegjagen is slecht voor uw zaak.

De kassierster valt me bij, ‘ja, die man doet niks verkeerd’.

- Ah, ik dacht dat u het over een andere man had. Maar als supermarkt kunnen we daar niks aan doen hé.
- Jawel, u kan die agenten aanspreken. En u kan vooral geen agenten bellen als er een straatmuzikant staat te spelen.
- Ja maar doen we niet hoor.

Ik stap de winkel binnen, doe mijn inkopen en schuif aan aan de kassa. Dezelfde twee kassiersters zien mij en komen nog eens bevestigen dat het echt niemand van de supermarkt zelf was die de agenten heeft gebeld, maar dat een van de twee agenten wel regelmatig zelf boodschappen komt doen en dan heel erg arrogant is.

Geheel niet terzake, er staat een vrouw achter mij aan te schuiven met een kar. Ik vraag haar even op te schuiven zodat ik mijn winkelmandje op zijn plaats kan zetten zonder haar omver te moeten duwen. Ze rolt met haar ogen en slaakt een diepe zucht.

- Dat mandje kan je daar ook wel zo zetten, daar hoef ik niet voor achteruit te gaan.
- U hebt gelijk, ik kan dat mandje ook gewoon in uw winkelkar placeren, of op uw hoofd.

Ik bedenk me dat de komende maanden nog plezant gaan worden, als iedereen nu al zo scherp staat, ikzelf incluis.

Ik fiets naar huis, zet mijn boodschappentas in de keuken, ga de woonkamer in en begin daar het relaas tegen mijn lief te vertellen. Die trekt na een halve minuut zijn neus op en vraagt ‘wat ruikt er hier verbrand?’

Het blijkt mijn duurzame winkeltas van ongebleekt katoen te zijn, die ik nog vol boodschappen op het gasfornuis had gezet, waarvan de ene pit nog bleek te branden nadat ik een paar uren daarvoor een omelet voor ontbijt had gebakken. Heel mijn tas in de fik.

En zo verbrandden mijn gel-based voetzooltjes en mijn plastieken bakje luzernescheuten dus. Tja.

Maar wat me écht woest maakt, is dat die muzikant nu op het politiebureau zit en misschien zwaar in de problemen zit. En of dat nu komt omdat hij niet de juiste papieren heeft, of helemaal geen papieren, dat doet er niet toe. Laat die man eens gewoon met rust en ga staatssecretarissen oppakken die te pas en te onpas hun wettelijk boekje te buiten gaan, daarmee de ganse samenleving ontwrichten en daar ongestraft keer op keer mee weg geraken. Pak mensen aan die andere mensen op basis van hun huidskleur uitschelden, toegang weigeren, werk ontzeggen, bedreigen, lastigvallen, in elkaar slaan, aanrijden, doodrijden, op de sporen duwen.

Racisme is een misdaad. Muziekspelen is dat niet.

#deverlichtebeschaving

vrijdag 27 april 2018

KORT / waar een Willetje is


Er was eens … een meisje en dat meisje heette Willetje. Willetje woonde met haar moeder en grootmoeder in een klein huisje. Dat huisje hadden ze samen gemaakt van houten planken, vele kleuren verf en een glazen koepel zodat je overdag de zon kon zien en ’s nachts alle sterren. Voor de ramen hingen gehaakte gordijnen en voor elke deur lag een mat waarop ‘hopla!’  stond geschreven.
Het was een gezellig huisje. Het was niet gemakkelijk geweest om het te maken, maar Willetje wist dat je alles kon doen en maken, als je het écht wilde. Wat je nodig hebt is een eigen kamertje en genoeg tijd om daar rustig in na te denken, en de juiste informatie. Soms moet je wat uitleg vragen aan iemand die het al wat beter kan. Maar waar een willetje is, is een weg en laat niemand je iets anders wijsmaken. 

Dat is ook wat grootmoeder ’s nachts in het oor van Willetje kwam fluisteren terwijl deze diep lag te slapen en droomde hoe ze kon vliegen. De grootmoeder van Willetje was eigenlijk een fee. Ze was fantastisch. Ze kon kromme nagels weer recht toveren en splinters uit handen laten verdwijnen. Kortsluitingen liet ze flikkeren tot de kortsluitingen het beu werden en zichzelf repareerden  en ’s nachts danste ze tot in de vroege uurtjes met zware kleerkasten en houten tafels , tot die eindelijk allemaal op de perfecte plaats stonden. ‘Waar een willetje is, is een weg’, fluisterde ze dus in Willetjes oor en met die wijsheid bracht Willetje haar dagen door in het kleine zelfgemaakte huisje langs de kant van de Grote Weg in een land ver weg van hier, over de zeven bergen en de zeven fietspaden. 

Op een dag liep Willetje langs de waterkant, niet ver van het houten huisje. Ze was een beetje moe, dus ging ze even zitten in het gras. Ze legde haar tasje met hamer, zaag, schoolschrift, en een hele dikke koek naast zich neer en tuurde wat in het water. Ze kon zichzelf zien en ze lachte naar het meisje in het water. Het meisje in het water lachte terug. Ze stak haar tong uit naar het meisje in het water. Het meisje in het water stak ook haar tong uit. Ze keek boos naar het meisje in het water en plots begon het meisje in het water heel hard te huilen. Willetje schrok. Ze had geen zakdoek bij en de snottebellen kwamen in lange slierten uit haar neus druipen. Het meisje in het water keek even verbaasd en begon toen te lachen. Willetje moest ook lachen. Ze was blij. Ze had een zusje, gevonden die vieze snottebellen grappig vond. Dat vond ze wel leuk.

Willetje ging nu elke dag even langs de waterkant wandelen. Soms voor school, soms erna. Dan zat ze even neer, liet haar voeten boven het water bungelen en ze babbelde wat met het meisje in het water. Ze lachten samen, ze lieten elkaar zien hoe ver ze hun tong konden uitsteken en hoe ze een grote appel in een keer helemaal in hun mond konden proppen. Soms waren ze ook boos. Dan gromden ze een beetje naar elkaar en wenkbrauwen gingen om ter hoogste de lucht in. Gelukkig waren ze nooit erg lang boos, dat zou ook maar vermoeiend zijn.

En paar weken na de eerste kennismaking gingen voorbij en het was nu zomer. Willetje rende op blote voeten door het droge gras en plofte neer aan de kant van het water. Het was warm en ze begon met haar grote teen in het water te roeren. Het meisje in het water deed hetzelfde en grote kringen begonnen zich te vormen. De kringen werden zo groot dat Willetje het meisje in het water haast niet meer kon zien, dat vond ze wel spannend. Wanneer de laatste grote kring eindelijk verdwenen was, zocht ze het meisje opnieuw, maar dat was verdwenen. Waar was het meisje naartoe? Willetje boog zich verder voorover en schrok zich haast een hoedje. Vanuit het water keek een jongetje haar aan. Het jongetje lachte. Ze lachte aarzelend terug. Het jongetje likte zijn neus met het puntje van zijn tong. Willetje deed hetzelfde. Het jongetje keek verschrikkelijk scheel en Willetje deed hetzelfde tot ze zo hard moest lachen dat ze bijna in het water viel. ‘Ik heb een broertje!’, dacht Willetje. ‘Ik heb altijd al een broertje gewild en nu heb ik er eentje’.

Ze wandelde blij naar haar houten huisje, waar haar moeder druk bezig was boven in de boom, terwijl grootmoeder beneden aanwijzingen stond te geven. Ze waren een boomhut aan het bouwen voor Willetje, die bijna jarig was.

maandag 27 februari 2017

KORT / de fuut

Friday Feb 24 - 04.01u, to: Blanche B&B

Beste
Wij hadden vanaf morgen tem maandag een kamer voor twee personen gereserveerd. Helaas moet ik annuleren. Mijn vader werd vannacht opgenomen in het ziekenhuis met een zware hersenbloeding. Mijn oprechte excuses voor het ongemak.

Friday Feb 24 - 04.04u, reply to message

Sterkte

-----------------------------------------------------------------------

Al dagen beukt de wind tegen alles wat in de weg staat. Bulderdrang. Grijsgrauwe woeste lucht en af en toe een korte striemende regenvlaag. Koud is het niet, wel onaangenaam. Onrustig. Bedreigend.

In de bocht, daar waar mosselbanken bij laag tij horden zoekers met emmertjes en schepjes aantrekken, is het rustig bij dit weer. Niemand haalt het in het hoofd om nu op de dijk te gaan zitten en te staren in te verte.

Hier en daar een toefje verfomfaaid gras van tussen de dijktegels en aan de reling van de trap die nergens naartoe leidt, hangt zeewier, daar gedrapeerd om de kwade geesten te verjagen, zo lijkt het wel. Een zout gordijn met de geur van vis. De wind duwt het water in stoten vooruit, alsof er een groot beest onder de golven wild heen en weer zwemt, zijn nekharen net zichtbaar boven het wateroppervlak, voor de rest een donker ondefinieerbare massa.

Hier is het waar de bruinvissen komen eten, wanneer het seizoen daar is. Kleiner dan een dolfijn, maar toch evengoed indrukwekkend genoeg, als men enkel levende dieren in de zoo gewend is. Stil glijden ze door het water, af en toe hun gebogen rug zichtbaar, bruingrijsglanzend en je wil het iemand vertellen, maar dan is de kans groot dat je hun afscheid mist. Nog enkele rondjes en een paar meter waarvan je de richting nog kan volgen en dan verdwijnen ze weer, diep naar beneden, misschien naar links, misschien naar rechts, enkel de zwerm meeuwen die erboven vliegen geven nog een beetje een aanwijzing.

Maar niet vandaag. Het is nog te vroeg. Er zijn nog geen bruinvissen, geen naaktzwemmers, geen ochtendlijke yogazitters, geen kilometerzwemmers. Wel de occasionele hondenloper, hoofd diep weggedoken in jas en brommend van ‘morrege’.

Hoog in de lucht vliegen twee gevechtsvliegtuigen. Ze vliegen dicht naast elkaar. Onderaan elk van hen brandt een lichtje. Ze scheren samen over de Oosterschelde richting Yerseke, verdwijnen aan de horizon, hun gebrom zwaar en eerder streng van aard. Ze geven geen gevoel van veiligheid, zij niet, noch de storm.

Langs de dijk loopt een vrouw, ze draagt een gele regenjas en dikke blauwe gewatteerde laarzen. Een stripfiguurtje vooruitgeduwd door de wind. Haar sjaal wappert en trekt de aandacht van een jonge Duitse scheper die er wild naar begint te happen. De vrouw duwt de hond weg en loopt door. Ze neemt de trap naar beneden naar het strand. Het zand ligt dik en los en haar laarzen zijn er niet voor gemaakt. Meeuwen en futen en nog wat zeevogels bekijken haar terwijl ze richting water loopt. De golven kabbelen rustig nu, waardoor het gebrom van de vliegtuigen snel weer duidelijk hoorbaar wordt.

Nog steeds naast elkaar, een duo donkere doders, over het water en dan weer terug, zonder enige duidelijke reden waarom. Ze vliegen lager nu, het licht brandt feller. Het steekt af tegen de grauwe lucht en plots begint het opnieuw te regenen.

Een fuut trippelt op hoge pootjes langs de waterlijn en de blauwe laarzen kleven van het natte korrelzand. De vrouw in de gele regenjas heeft de vliegtuigen gehoord en kijkt naar omhoog. Haar linkerbeen is een beetje weggezakt in het zand, waardoor ze in een eigenaardige, scheve houding staat. De vliegtuigen maken een scherpe bocht, zij aan zij, volledig synchroon in hun bewegingen en hun zwijgzame dans der doden. Ze vliegen, recht op hun doel af nu. De motoren brullen alsmaar luider, het licht onderaan wordt langzaam groter en groter, als sterke spots ’s avonds op een voetbalveld.  De vrouw raakt verblind, ze hoort het ratelen van machinegeweren maar ziet ze niet. Het lichaampje van de fuut gaat mee aan flarden, de veren vliegen in het rond.

“Ik moet iets verzinnen dat steek houdt en dat zo’n enorme impact heeft, dat niemand nog verder vragen durft te stellen”, denkt ze. “En het mag onder geen enkel beding eender wat in gang zetten. Ik geloof dan wel niet in god, maar wat als-ie toch bestaat? Ik maak er ‘vader’ van, want die heb ik toch niet.”

Het schijnsel van de maan vindt weerkaatsing in de gele regenjas die op het strand ligt. Wat verderop steekt een blauwe gewatteerde laars rechtop in het zand. De eerste landing op de maan.

zaterdag 31 december 2016

KORTVERHAAL / de geur van baby's



En ze dacht: ‘In deze toestand van deze wereld wil ik geen kinderen baren’ en dus sloot ze haar benen en begon te persen, net zolang tot elke drang tot persen eruit was en geen enkel kind ooit ter wereld zou kunnen komen, laat staan de toestand van deze wereld zou moeten aanschouwen.

En dus bedacht ze elke dag namen voor kinderen die nooit ter wereld zouden komen, namen voor dochters en namen voor zonen, maar de namen voor zonen waren meestal minder makkelijk te bedenken dan die voor dochters, hoewel ze wel liever een zoon had gehad, want wie wil nu geboren worden als meisje en opgroeien tot vrouw in deze wereld?

Pilar leek haar wel wat, en Noor of Nour, en misschien Polly en Ruthie, en Esmeralda, hoewel dat nogal lang was en hoe ouder ze werd, hoe vaker ze een naam tegenkwam in een kind van mensen die ze kenden die wel kinderen baarden en dan was ze blij dat ze geen kind met dezelfde naam had, want wie wilde nu dat haar kind hetzelfde heette als een kind van vrienden?

En Jack voor een zoon, of Rip of Kip, hoewel ze wel besefte dat ze haar nooitgeboren zoon daar geen plezier mee zou doen, Rik dan maar misschien, of Jan maar dan voor een dochter.

En dus kocht ze geen babykleertjes, noch een wieg, flesjes of spenen, tenzij voor bevriende kersverse ouders, of eigenlijk voor die hun kersverse kinderen natuurlijk, want ouders passen niet in kruippakjes, tenzij hele grote. Maar af en toe liep ze wel eens door de baby-afdeling, als ze er toevallig eentje zag en geen cadeautje nodig had en op een keer, op weg naar huis terwijl het regende, lag daar zomaar tegen een huisgevel een hele stapel babykleertjes weg te rotten in vuil en nattigheid en zonder al teveel nadenken nam ze met één beweging de hele stapel in haar armen en liep ermee naar huis, de gang door, de trap op, haar appartement in recht naar de badkamer waar de wasmachine stond en stak ze de hele zwik in de trommel met wat waspoeder erbij en azijn voor de zachtheid. Als de was klaar was, trok ze het droogrek open en hing ze een voor een met wasknijpers sokjes, hansopjes, mini t-shirts en broekjes, een jurkje, een rokje en twee katoenen bloesjes met twee drukknoopjes elk op de wasdraad en ze stond versteld van de zoete babygeur die onmiddellijk haar neus binnendrong, dat was dus toch waar die babygeur waar haar vriendinnen en vrienden over praatten en toen moest ze gaan zitten en wilde ze niet langer naar de kleertjes kijken en de volgende dag toen alles droog was, stak ze de hele hoop in een plastieken zak en zette de zak naast haar voordeur met een briefje erbij met ‘babykleertjes gratis’ en een uur later was de zak weg.

Maar nee, in deze toestand van deze wereld wil ze geen kinderen baren en ze wordt een beetje kwaad vanwege de egocentrische kersverse trotse ouders toch wel en ze voelt medelijden voor de kinderen die nu wel gebaard worden, in wat voor leven worden die nu gegooid met het klimaat en de crisis overal en oorlogen die bezig zijn en oorlogen die nog gaan komen en de ratrace in het verschiet waardoor ze nu al met pensioensparen moeten beginnen, en ze zijn nog niet eens uit de luiers die dan wel van duurzaam materiaal zijn gemaakt volgens de verpakking, maar toch niet mee in gft-vuilzak mogen.

En ze voelt zich meer en meer niet au sérieux genomen, terwijl ondertussen niet meer zo kersverse ouders tegen mekaar leuteren over overwinningen van hun kroost, en rapporten, en drukke agenda’s van sportclub en hobbyclub en verjaardagsfeestjes en workshops en speelnamiddagen en bedplassen en onwaarschijnlijk intelligente of grappige of allebei uitspraken die geen enkel ander kind ooit heeft gedaan en slapeloze nachten en koortsaanvallen en mazelen en wel of geen vaccinaties en allergieën en een afkeer voor champignons en al dan niet K3 en Plopsaland en ondertussen is ze al lang van tafel geslopen bij de arm genomen door een van de kinderen en zit ze mee in de speelhoek een kasteel van ecologisch verantwoorde blokken te bouwen en roept ze’kaddang’ wanneer ze samen met één haal het bouwsel in elkaar doen storten. Daar krijgt ze minder hoofdpijn van dan van de stress die niet meer zo kersverse ouders de ganse dag door jaar in jaar uit hebben en waarvoor ze zich behoort te schamen dat niet mee te hoeven maken. Ze probeert nog te zeggen dat ze daar zelf voor gekozen hebben, maar die haring braadt duidelijk niet en wat weet zij daarvan?

Dat deze toestand van deze wereld niet geschikt voor kinderen is, noch de wereld en dat elk kind nu gebaard nooit of nooit dezelfde levensstandaard zal hebben dan die welke de kersverse ouders elke dag een beetje meer door hun vingers laten glippen maar ooit wel gehad hebben en dat onze levensverwachting voor de eerste keer sinds de tweede wereldoorlog gedaald is, en dat vooral voor vrouwen. Dat weet ze. Dat en dat de geur van baby’s haar hart doet ineenkrimpen.