wat zoek je?

vrijdag 27 april 2018

KORT / waar een Willetje is


Er was eens … een meisje en dat meisje heette Willetje. Willetje woonde met haar moeder en grootmoeder in een klein huisje. Dat huisje hadden ze samen gemaakt van houten planken, vele kleuren verf en een glazen koepel zodat je overdag de zon kon zien en ’s nachts alle sterren. Voor de ramen hingen gehaakte gordijnen en voor elke deur lag een mat waarop ‘hopla!’  stond geschreven.
Het was een gezellig huisje. Het was niet gemakkelijk geweest om het te maken, maar Willetje wist dat je alles kon doen en maken, als je het écht wilde. Wat je nodig hebt is een eigen kamertje en genoeg tijd om daar rustig in na te denken, en de juiste informatie. Soms moet je wat uitleg vragen aan iemand die het al wat beter kan. Maar waar een willetje is, is een weg en laat niemand je iets anders wijsmaken. 

Dat is ook wat grootmoeder ’s nachts in het oor van Willetje kwam fluisteren terwijl deze diep lag te slapen en droomde hoe ze kon vliegen. De grootmoeder van Willetje was eigenlijk een fee. Ze was fantastisch. Ze kon kromme nagels weer recht toveren en splinters uit handen laten verdwijnen. Kortsluitingen liet ze flikkeren tot de kortsluitingen het beu werden en zichzelf repareerden  en ’s nachts danste ze tot in de vroege uurtjes met zware kleerkasten en houten tafels , tot die eindelijk allemaal op de perfecte plaats stonden. ‘Waar een willetje is, is een weg’, fluisterde ze dus in Willetjes oor en met die wijsheid bracht Willetje haar dagen door in het kleine zelfgemaakte huisje langs de kant van de Grote Weg in een land ver weg van hier, over de zeven bergen en de zeven fietspaden. 

Op een dag liep Willetje langs de waterkant, niet ver van het houten huisje. Ze was een beetje moe, dus ging ze even zitten in het gras. Ze legde haar tasje met hamer, zaag, schoolschrift, en een hele dikke koek naast zich neer en tuurde wat in het water. Ze kon zichzelf zien en ze lachte naar het meisje in het water. Het meisje in het water lachte terug. Ze stak haar tong uit naar het meisje in het water. Het meisje in het water stak ook haar tong uit. Ze keek boos naar het meisje in het water en plots begon het meisje in het water heel hard te huilen. Willetje schrok. Ze had geen zakdoek bij en de snottebellen kwamen in lange slierten uit haar neus druipen. Het meisje in het water keek even verbaasd en begon toen te lachen. Willetje moest ook lachen. Ze was blij. Ze had een zusje, gevonden die vieze snottebellen grappig vond. Dat vond ze wel leuk.

Willetje ging nu elke dag even langs de waterkant wandelen. Soms voor school, soms erna. Dan zat ze even neer, liet haar voeten boven het water bungelen en ze babbelde wat met het meisje in het water. Ze lachten samen, ze lieten elkaar zien hoe ver ze hun tong konden uitsteken en hoe ze een grote appel in een keer helemaal in hun mond konden proppen. Soms waren ze ook boos. Dan gromden ze een beetje naar elkaar en wenkbrauwen gingen om ter hoogste de lucht in. Gelukkig waren ze nooit erg lang boos, dat zou ook maar vermoeiend zijn.

En paar weken na de eerste kennismaking gingen voorbij en het was nu zomer. Willetje rende op blote voeten door het droge gras en plofte neer aan de kant van het water. Het was warm en ze begon met haar grote teen in het water te roeren. Het meisje in het water deed hetzelfde en grote kringen begonnen zich te vormen. De kringen werden zo groot dat Willetje het meisje in het water haast niet meer kon zien, dat vond ze wel spannend. Wanneer de laatste grote kring eindelijk verdwenen was, zocht ze het meisje opnieuw, maar dat was verdwenen. Waar was het meisje naartoe? Willetje boog zich verder voorover en schrok zich haast een hoedje. Vanuit het water keek een jongetje haar aan. Het jongetje lachte. Ze lachte aarzelend terug. Het jongetje likte zijn neus met het puntje van zijn tong. Willetje deed hetzelfde. Het jongetje keek verschrikkelijk scheel en Willetje deed hetzelfde tot ze zo hard moest lachen dat ze bijna in het water viel. ‘Ik heb een broertje!’, dacht Willetje. ‘Ik heb altijd al een broertje gewild en nu heb ik er eentje’.

Ze wandelde blij naar haar houten huisje, waar haar moeder druk bezig was boven in de boom, terwijl grootmoeder beneden aanwijzingen stond te geven. Ze waren een boomhut aan het bouwen voor Willetje, die bijna jarig was.