wat zoek je?

maandag 27 februari 2017

KORT / de fuut

Friday Feb 24 - 04.01u, to: Blanche B&B

Beste
Wij hadden vanaf morgen tem maandag een kamer voor twee personen gereserveerd. Helaas moet ik annuleren. Mijn vader werd vannacht opgenomen in het ziekenhuis met een zware hersenbloeding. Mijn oprechte excuses voor het ongemak.

Friday Feb 24 - 04.04u, reply to message

Sterkte

-----------------------------------------------------------------------

Al dagen beukt de wind tegen alles wat in de weg staat. Bulderdrang. Grijsgrauwe woeste lucht en af en toe een korte striemende regenvlaag. Koud is het niet, wel onaangenaam. Onrustig. Bedreigend.

In de bocht, daar waar mosselbanken bij laag tij horden zoekers met emmertjes en schepjes aantrekken, is het rustig bij dit weer. Niemand haalt het in het hoofd om nu op de dijk te gaan zitten en te staren in te verte.

Hier en daar een toefje verfomfaaid gras van tussen de dijktegels en aan de reling van de trap die nergens naartoe leidt, hangt zeewier, daar gedrapeerd om de kwade geesten te verjagen, zo lijkt het wel. Een zout gordijn met de geur van vis. De wind duwt het water in stoten vooruit, alsof er een groot beest onder de golven wild heen en weer zwemt, zijn nekharen net zichtbaar boven het wateroppervlak, voor de rest een donker ondefinieerbare massa.

Hier is het waar de bruinvissen komen eten, wanneer het seizoen daar is. Kleiner dan een dolfijn, maar toch evengoed indrukwekkend genoeg, als men enkel levende dieren in de zoo gewend is. Stil glijden ze door het water, af en toe hun gebogen rug zichtbaar, bruingrijsglanzend en je wil het iemand vertellen, maar dan is de kans groot dat je hun afscheid mist. Nog enkele rondjes en een paar meter waarvan je de richting nog kan volgen en dan verdwijnen ze weer, diep naar beneden, misschien naar links, misschien naar rechts, enkel de zwerm meeuwen die erboven vliegen geven nog een beetje een aanwijzing.

Maar niet vandaag. Het is nog te vroeg. Er zijn nog geen bruinvissen, geen naaktzwemmers, geen ochtendlijke yogazitters, geen kilometerzwemmers. Wel de occasionele hondenloper, hoofd diep weggedoken in jas en brommend van ‘morrege’.

Hoog in de lucht vliegen twee gevechtsvliegtuigen. Ze vliegen dicht naast elkaar. Onderaan elk van hen brandt een lichtje. Ze scheren samen over de Oosterschelde richting Yerseke, verdwijnen aan de horizon, hun gebrom zwaar en eerder streng van aard. Ze geven geen gevoel van veiligheid, zij niet, noch de storm.

Langs de dijk loopt een vrouw, ze draagt een gele regenjas en dikke blauwe gewatteerde laarzen. Een stripfiguurtje vooruitgeduwd door de wind. Haar sjaal wappert en trekt de aandacht van een jonge Duitse scheper die er wild naar begint te happen. De vrouw duwt de hond weg en loopt door. Ze neemt de trap naar beneden naar het strand. Het zand ligt dik en los en haar laarzen zijn er niet voor gemaakt. Meeuwen en futen en nog wat zeevogels bekijken haar terwijl ze richting water loopt. De golven kabbelen rustig nu, waardoor het gebrom van de vliegtuigen snel weer duidelijk hoorbaar wordt.

Nog steeds naast elkaar, een duo donkere doders, over het water en dan weer terug, zonder enige duidelijke reden waarom. Ze vliegen lager nu, het licht brandt feller. Het steekt af tegen de grauwe lucht en plots begint het opnieuw te regenen.

Een fuut trippelt op hoge pootjes langs de waterlijn en de blauwe laarzen kleven van het natte korrelzand. De vrouw in de gele regenjas heeft de vliegtuigen gehoord en kijkt naar omhoog. Haar linkerbeen is een beetje weggezakt in het zand, waardoor ze in een eigenaardige, scheve houding staat. De vliegtuigen maken een scherpe bocht, zij aan zij, volledig synchroon in hun bewegingen en hun zwijgzame dans der doden. Ze vliegen, recht op hun doel af nu. De motoren brullen alsmaar luider, het licht onderaan wordt langzaam groter en groter, als sterke spots ’s avonds op een voetbalveld.  De vrouw raakt verblind, ze hoort het ratelen van machinegeweren maar ziet ze niet. Het lichaampje van de fuut gaat mee aan flarden, de veren vliegen in het rond.

“Ik moet iets verzinnen dat steek houdt en dat zo’n enorme impact heeft, dat niemand nog verder vragen durft te stellen”, denkt ze. “En het mag onder geen enkel beding eender wat in gang zetten. Ik geloof dan wel niet in god, maar wat als-ie toch bestaat? Ik maak er ‘vader’ van, want die heb ik toch niet.”

Het schijnsel van de maan vindt weerkaatsing in de gele regenjas die op het strand ligt. Wat verderop steekt een blauwe gewatteerde laars rechtop in het zand. De eerste landing op de maan.